5 maart

Wat vooraf gevreesd en misschien, door een enkele psychopaat (bedenk ik grimmig) zelfs gehoopt was, is weer gebeurd: het vooraf zeker berekende dooifront had in de aanloop naar zaterdag steeds meer tegengas gekregen van het Eurohoog dat zich op de een of andere manier verstevigde en oprichtte. Een strook van Vlaanderen tot diep in Overijssel had in de heen- en weer schuivende zone van dooi en vorst gelegen. Het verloop was totaal grillig geweest. Alleen in Noord-Nederland was het anders geweest en had het soms matig gesneeuwd bij een aantrekkende oostenwind. De beelden van de sneeuwduinen daar kende ik nou wel: die duinen lagen hier ook in de polder.

De dooi was even tot aan Cabauw gekomen, maar ‘s avonds om 19:00 uur lag heel Nederland weer in de vorst. Het was opgeklaard en ik ben ‘s avonds laat naar buiten gelopen. Het rook weer naar die frisse, continentale lucht en verder hoorde je niets: geen auto’s, geen industrie, niets. Er brandde ook nergens licht, het was stikdonker. Boven mij fonkelde de melkweg die ik nu eindelijk eens vanuit mijn tuin kon zien, zo zonder lichtvervuiling. Hier lag alles onder een dikke, ietwat melkige laag ijs van een centimeter of twee dik. Zelfs de sneeuw was geglazuurd, wat de wereld in het maanlicht een onecht en geplastificeerd uiterlijk gaf.

En door de weer ingevallen vorst was het ijs dat zich aan de elektriciteitskabels had gehecht, alleen maar harder geworden. Met alle risico’s van dien. Dus daar ligt Nederland: tot diep in de grond bevroren, onder decimeters sneeuw in vele lagen, geglazuurd met een stevige ijzellaag en met een kapot elektriciteitsnet. Niets doet het meer. We hebben geen gas, geen water en geen stroom. Hoe lang dit gaat duren weet niemand, maar het moet geen dágen gaan duren, denk ik.

Uit mijn dagboek:

Na de ijzelramp van gisteren is het vandaag in heel Bodegraven doodstil. Dat kan ook niet anders: autorijden is door al het ijs op straat onmogelijk (hoewel ik in de verte vaag de gemeente hoor zwoegen) en er is geen stroom meer. Naar ik begrijp wordt met man en macht gewerkt om het elektriciteitsnet weer functioneel te krijgen, maar ja: de natuur he?

De gemeente heeft gelukkig de sporthal als noodopvang in gebruik en daar zijn generatoren en is er verwarming. Dus besluiten we daar, glibberend en wel, eens een kijkje te gaan nemen en het is er afschuwelijk druk; iedereen wil wel even wat warmte voelen en wat beschaving en kunstlicht zien. De sfeer is best bedrukt; weinig mensen praten hardop. Men praat alsof er een groot ongeluk gebeurd is, op lage toon, en je hoort angst zoemen. We krijgen slappe warme chocomel en zelfs een kopje soep en een handvol van de inmiddels fameuze ‘winterkoekjes’, we laven ons aan het warmtekanon tot we plaats maken voor anderen die het ook koud hebben, en lopen heel voorzichtig naar huis om de warmte zo lang mogelijk bij ons te houden.

Zometeen ga ik maar weer eens vroeg op stok. Tot nu toe heb ik elke keer een plaatje van een nieuwssite geplukt (ook als er geen verbinding was) maar ik wil de batterij van mijn laptop sparen. En die heeft het al koud en ik heb nog maar 18%. Als er weer stroom is, schrijf ik meer. Het is zondagavond 5 maart 2017, 22:09 en ik ga maar proberen wat warmte te vinden in bed. De haard gloeit nog na (maar ik moet zuinig zijn met hout) dus daar ga ik even wat infra-rood opdoen. Dat wordt een fris ontbijt morgen: voor de haard verwarmde boterhammen met, ja: met wat eigenlijk? Dat zullen wel weer knakworstjes worden. De verdere voorraad is zo goed als op, op wat soepblikken na. Of nou ja: een dag of drie is er nog. Maar zo zonder stroom en gas en water kan zelfs ik niet meer improviseren.

Ik grap dat we mijn kat Harry nog altijd kunnen roosteren in de haard en dat dat wel zal stinken. Harry kijkt me verwijtend aan, rekt zich uit, draait een rondje en zakt verder vredig weg in zijn dekentje.

Tact -7,6 (m’n sensor doet ‘t wél!) en ach, we hebben de koekjes nog.