Nadat ik mijzelf illegaal Frankrijk had binnengesmokkeld moest ik op enig moment toch weer terug naar huis: de ‘pool’ van mensen om voor mijn kat te zorgen was opgedroogd en Harry, onze 14-jarige kater was alleen. Dat vond ik zielig.
En lokale boer was bereid om me, nog steeds gehuld in lokale klederdracht en met alweer een Lotharingse ham over de rechterschouder, verstopt in een volle bak vers geoogst graan tot vlakbij de Belgische grens te brengen, tot bij het bos waar ik mijn auto had achtergelaten, een paar dagen in het kampement tussen mede-verschoppelingen had gewoond, mijn Frans had aangescherpt en per postduif had gecommuniceerd met de Résistance in Lotharingen om vanaf die plek mijn drieste vlucht naar Frankrijk te plannen en uit te voeren.
In het schemer wandelde ik, oude franse liederen fluitend en met de ham nonchalant over mijn rechterschouder, de grens over, het Belgische bos in. Er was niemand. Mijn auto stond er goddank nog maar het kampement was verlaten. Er hing een onwerkelijke stilte op de plek die drie dagen eerder nog een levendige en spontane nederzetting van outcasts was geweest. Her en der lagen lege traangasgranaten en kledingstukken. Stukken tent. Een enkele teenslipper. Ik hoopte dat iedereen zijn weg had weten te vinden, net als ik, schoof de camouflerende takken van mijn auto, stapte in en reed weg.
Door België rijdend leek alles een snel vervagende droom. Er was niets aan de hand, zei ik tegen mezelf, en over een uur of 4 zou ik gewoon weer thuis zijn en mijn verwijtende, zich hevig verzettende kat knuffelen.
Maar na Hazeldonk ging het toch mis: na een kilometer of 6 dirigeerden zwaailichten me naar een parkeerplaats en zwaar gewapende en gemaskerde mannen sprongen uit een zwarte Audi.
“Rijbewijs, ID, kentekenbewijs”, klonk het toonloos. Ik toonde ze, zorgvuldig mijn tweede buitenlandse ID verbergend. Je weet nooit.
“Waar bent u geweest?’”, blafte een masker me toe.
-“België”, loog ik. Ofwel; daar was ik natuurljk óók geweest.
“Waar in België”, snauwde hij.
Hier had ik niet op gerekend. “Champs-sur-lie” verzon ik snel. “Héél klein stadje in de zuidelijke Ardennen”.
Het bleef stil. De man liep terug naar de Audi. En kwam even later weer terug.
“Ja kijk eens, hier klopt iets dus niet. En dat weet u zelf ook. U heeft dus een antigeentest gedaan. Maar door een computerstoring was de uitslag ervan pas drie dagen later beschikbaar. Nu zien wij in de Europese Kentekenregistratie dat u eerder tóch België in reed. U kon Nederland dus helemaal niet uit en nu keert u terug? Zo gaat dat niet. Wat heeft u daarop te zeggen?”
Ik zei niets en wachtte gelaten af. Mijn mond werd droog. Wat had ik misdaan? Niets. Ik had COVID gehad, was op aanraden van Zijne Excellentie één keer gevaccineerd dus nee, ik had niets verkeerd gedaan. Dat de Grote Computersystemen weigerden mij op te nemen als ‘volledig gevaccineerd’ was mijn fout niet, sterker nog: zelfs de GGD gaf toe dat het een absurde situatie was. Dus nee: mij trof geen blaam.
Intussen begonnen de andere inzittenden van de politiewagen mijn auto minutieus uit te kammen.
“Waarom ligt er een enorme ham in uw achterbak?”, wilde er een weten.
-“Ik houd van ham”, zei ik.
Het bleef even stil.
“En deze teenslippers, maat 38?, vroeg een ander verwijtend terwijl hij ze vlak voor mijn neus hield..
-“Ach, ja, vakantie”, zei ik vergoelijkend, en maakte een algemeen breed gebaar.
“Ach ja vakantie. Hm. Nou goed. U kunt doorrijden. Voor deze keer. Maar we houden u in de gaten.”
En dus reed ik met hectobunders geronnen zweet in mijn bilnaad en 90 kilometer per uur, puur voor de zekerheid, naar huis. Thuis knuffelde ik mijn kat zowat in tweeën wat hij dankbaar beantwoordde met een diepe post-vakantiekrab in mijn gezicht.
Daarom houd ik ook zo van Harry: die is tenminste eerlijk.
0 antwoorden

Plaats een Reactie

Meepraten?
Draag gerust bij!

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.