Eenheid in verscheidenheid.

De architecten achter het vernieuwde Museum De Lakenhal in Leiden hebben flink al wat prijzen gewonnen: Architect van het jaar, de Architectenweb-award voor het beste interieur én het beste publieke gebouw van 2019. Achter de transformatie zit het relatief jonge Happel Cornelisse Verhoeven Architecten. Dirty Science vraagt aan een van de partners, Ninke Happel, hoe het project tot stand is gekomen.

Dat moet een feestje zijn geweest, toen jullie de opdracht kregen

“Ja, dat was het zeker. Wij zijn een van de weinige relatief jonge bureaus die zo’n relevant publiek werk onder hun hoede hebben gekregen.”

Dat lijkt me een grote verantwoordelijkheid. Waar begin je dan?

“We werken sowieso altijd met z’n drieën. Wij zijn alle drie verschillend en vullen elkaar daardoor goed aan. Geen enkel project draagt de naam van een van ons. Dus hoe beginnen we met een dergelijk complex project? Eerst inlezen, je informeren over de geschiedenis van de bestaande gebouwen. Dan een goed gesprek waarin we het project samen proberen te definiëren. Welke ideeën leven er? Wat is er boven gekomen? We zijn in dit geval ook snel met Julian Harrap (een Brits restauratiearchitect) naar Leiden gegaan om het museum te bekijken, te ervaren. Daar merkten we meteen dat het een donker, ingedut geheel was zonder heldere oriëntatiemogelijkheden. De eerste gedachte was: er moet daglicht het complex in én er moet een nieuwe centrale ruimte komen, waarvandaan bezoekers hun weg kunnen vinden.  Nou, dan heb je een uitgangspunt.

We vieren de kwaliteiten van het bestaande als fundament voor het nieuwe

Daar zit dan ook restauratie bij

“Klopt. In samenwerking met Julian Harrap Architects hebben we het 17e -eeuwse gedeelte zover mogelijk teruggevoerd naar zijn oorspronkelijke staat. Hetzelfde deden we met het 19e en 20ste -eeuwse gedeelte. Wij hebben in het door ons ontworpen gebouw het DNA van de andere gebouwen gespiegeld: bakstenen gebouwen met een heldere ordening en die stevig op de grond staan. Dat komt in ons gedeelte ook terug. We hebben daarvoor een speciaal ontwikkelde grijsgroene baksteen toegepast. Die was er in de 17e eeuw nog niet, maar past qua kleurstelling wel mooi aan bij de Bentheimer zandstenen elementen in het oorspronkelijke gebouw én de rest van de stad. Dus door deze materiaalkeuze konden we toch een eenheid creëren. Dat bedoelen we met eenheid in verscheidenheid.”

Er is met veel respect met het gebouw omgegaan. Dat is ook jullie visie?

“Wij zoeken nooit een stijlbreuk met de bestaande (monumentale) gebouwen, maar juist een voortzetting ervan. Maar monumenten zijn ook niet onaantastbaar. “Tradition is no to preserve the ashes, but to pass on the flame”. Werken aan bestaande gebouwen is werken aan andermans werk. Alles heeft een reden van bestaan, maar hedendaags gebruik of comfortwensen vragen soms om aanpassingen. We proberen daarbij altijd de kwaliteiten van het bestaande vieren en als fundament gebruiken voor het nieuwe, om hergebruik voor lange tijd mogelijk maken. Dus geen revolutie, maar evolutie.  Voor ons geen Super Dutch grote contrastrijke gebaren, zoals je dat in de jaren ’90 zag..

Is het project tussentijds nog aangepast?

“Nauwelijks. Of een beetje. Aanvankelijk leken we het budget te gaan overschrijden. Dus hebben we een versobering van de kantoorruimtes voorgesteld. Daar zit een mooi verhaal aan vast: de meubelmaker van het museum zou twee jaar lang niets te doen hebben. De museumdirecteur heeft hem toen gevraagd de door ons ontworpen meubels te maken.”

Daarmee werd het ook van hen. Een mooie samenwerking dus.

“Zeker. En dat geldt voor het hele museum. We hadden gewoon een oersterk pact, met zóveel vertrouwen in elkaar: de museumdirecteur, het managementteam, de conservatoren en wij. Daardoor konden we tot een werkelijk toegankelijk publiek domein komen waarbij gebouw, ruimte, meubelstukken én collectie op elkaar zijn afgestemd.

En nu zijn jullie dik in de prijzen gevallen

“Meerdere prijzen inderdaad. We zijn dus Architect van het jaar geworden, hebben de Architectenweb-award voor het beste interieur én het beste publieke gebouw van 2019 gewonnen. We zijn ook genomineerd voor de ARC award en Abe Bonnemaprijs. Genoeg om naar uit te kijken.”

Dus nu even in de wolken?

“Zeker, maar vooral ook dankbaar dat we de inspirerende samenwerking met De Lakenhal op deze manier kunnen na-beleven.”

Happel Cornelisse Verhoeven werkt aan een breed portfolio van publieke gebouwen, herbestemmingen, woongebouwen en openbare interieurs. Met een uitgesproken belangstelling voor de cultuurhistorische gelaagdheid van steden en gebouwen bevinden de projecten zich meer en meer op het snijvlak van oud en nieuw. Het bureau werkt daarbij vanuit een synthetische benadering waarbij heden en verleden op dezelfde as worden gezet om met regenererende kracht elkaars eigenheid te kunnen versterken.

 

0 antwoorden

Plaats een Reactie

Meepraten?
Draag gerust bij!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.