De verdwenen Bijenkorf van Dudok

De foto is iconisch: nadat Rotterdam op 14 mei 1940 was gebombardeerd, zag het stadshart eruit als één grote kale vlakte met hier en daar een gebouw. Minder bekend is dat veel meer gebouwen het bombardement overleefd hadden dan we op die beroemde foto te zien krijgen. Eén van die gebouwen was de Bijenkorf van architect Dudok uit 1930, misschien wel het mooiste warenhuis dat Nederland ooit gekend heeft. Het werd pas in 1957 afgebroken. Om plaats te maken voor een winderig verkeersplein.

In de jaren voor 1940 was Rotterdam al begonnen de stad te moderniseren. Het was duidelijk dat de stad, en vooral de toegang naar zijn haven, verstopt raakte door het middeleeuwse stratenplan. Er werd begonnen met het dempen van singels en grachten, in de hoop dat daarmee de doorstroming verbeterd zou worden. Dat lukte maar ten dele. Dit tot wanhoop van de havenbaronnen, die hun plannen om van Rotterdam een soort New York te maken gedwarsboomd zagen door de gemeente, de politiek en de conservatieve Rotterdammer, die van zijn oude en krakkemikkige stad hield.

De as van de stad was zonder twijfel de Coolsingel, die al in 1917 gedempt was. De Coolsingel begon bij het vooroorlogse Hofplein: een verkeersnachtmerrie én een levendig uitgaanscentrum met theaters, grand cafés, een treinstation en een oude stadspoort: de Delftse Poort. En aan het andere uiteinde van de Coolsingel straalde sinds 1930 de Bijenkorf van Dudok. 

Lichtbaken

Toen Dudok de prijsvraag voor een nieuw te bouwen Bijenkorf won, was hij zonder twijfel de beroemdste architect van Nederland. Hij bedacht een modern en open pand, dat brak met de meer traditionalistische, op Parijse warenhuizen geïnspireerde bouw, door een gebouw met een open weefsel te bedenken. 

Bij oplevering was Dudoks Bijenkorf het grootste en modernste warenhuis van Europa. Het werd internationaal geprezen – Le Corbusier sprak van de ‘verrukkelijke orde’ van het gebouw – en geïmiteerd. Het ‘paleis van licht’, met een voor die tijd ongekend groot oppervlak van de gevel aan glas, onderstreepte de toen snel gegroeide internationale grandeur van Rotterdam. 

Centraal in het gebouw bevond zich een atrium met glazen dak, zodat daglicht tot in iedere hoek van het gebouw kon doordringen. De huid van het gebouw moest open zijn, zodat de binnenzijde en de buitenzijde een eenheid vormden en de Rotterdammer zich ‘naar binnen liet lokken’ door de uitgestalde waren. ’s Avonds straalde het gebouw aan het einde van de Coolsingel. Ook de verkeersstroom door het gebouw zelf was door Dudok revolutionair uitgedacht, met aparte in- en uitgangen, slim gebruik van roltrappen en snelle liften.

foto collectie Jan Sluijter www.jansluijterphotography.com

Wederafbraak

Na het bombardement bleek een flink aantal gebouwen gespaard: het stadhuis, het postkantoor en het beursgebouw bleven vrijwel onbeschadigd. Dudoks Bijenkorf werd wel aan de achterkant geraakt, maar de voorgevel en het atrium overleefden. In 1941 opende de Bijenkorf zijn deuren weer.

Maar het vernietigde centrum bood kansen die voor planologen uniek waren: eindelijk kon er een modern stratenplan uitgevoerd worden om de doorstroming van de stad te verbeteren. Verschillende plannen lagen al jaren klaar. In de drift deze zo snel mogelijk te realiseren, werden ook gebouwen die gered hadden kunnen worden, omver gehaald om plaats te maken voor: ruzie over planologie.

Op 20 mei 1940 aanvaardde Willem Gerrit Witteveen van de Gemeentelijke Technischen Dienst de opdracht om een plan van wederopbouw te ontwikkelen. Zijn idee was om Rotterdam zijn oude sfeer weer terug te geven, maar dan in een moderner stratenplan. Er ontstond snel verdeeldheid tussen enerzijds de traditionalisten zoals Witteveen en anderzijds de modernisten, geconcentreerd in de machtselite van de stad, die een snelle, efficiënte en modernistische wederopbouw van de stad voor ogen had. De Duitsers zagen een rol voor Rotterdam weggelegd als de grootste haven van het Groot-Duitse Rijk, dus wat hun betreft kon het niet snel genoeg gaan. 

Met deze wind in de rug kreeg een assistent van Witteveen, Cornelis van Traa, het wederopbouwheft in handen. Hij was een modernist en functionalist die wonen, werken en recreëren strikt wilde scheiden. Daarnaast wilde hij dat de stad een ‘Venster op de rivier’ kreeg, waarmee de Rotterdammer de nabijheid van rivier en haven kon ervaren. Om dit venster te realiseren was er wel een sta-in-de-weg: de Bijenkorf van Dudok aan het einde van de Coolsingel.

Dudok ging ervan uit dat hij de opdracht zou krijgen om een nieuwe Bijenkorf te bouwen op de huidige plek, maar die opdracht ging naar de Amerikaans-Hongaarse architect Marcel Breuer. Op de dag waarop het huidige gebouw in 1957 werd geopend, begon de sloop van Dudoks oude Bijenkorf. Het gebouw was pas 27 jaar oud toen de laatste resten puin werden weggereden. 

Van Cornelis van Traa’s ‘Venster op de rivier’ rest nu het foeilelijke Churchillplein. De rivier is niet meer zichtbaar door het Maritiem Museum uit 1986 met zijn gesloten, lichtgele bakstenen muur, dat aan de kop van de Leuvehaven zijn middelvinger opsteekt naar Dudoks vergeten meesterwerk.

Oorlogsbuit

In 1939 werd, na lang beraad, besloten de Delftse Poort te verplaatsen omdat het Hofplein door dat object niet verder kon groeien. Slopen was voor de Rotterdammers geen optie. Er werd begonnen de poort steen voor steen af te breken, met de bedoeling hem even verderop, maar uit de loop van het verkeer, weer op te bouwen. Na het bombardement bleken de minutieus gecatalogiseerde stenen ‘onvindbaar’ te zijn. Dat kwam de vernieuwers niet slecht uit: die wilden die oude troep altijd al weg hebben: zo’n onding paste niet in de moderne stad. Nu staat er, ongeveer op de plek waar de Poort zou herrijzen, een beeld van Cor Kraat dat de Delftse Poort in herinnering houdt.

0 antwoorden

Plaats een Reactie

Meepraten?
Draag gerust bij!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.